Buitenspel | Cruijff en dovemansoren

Groningen

“Johan Cruijff was de beste Europese voetballer aller tijden. Sorry Zidane, Beckenbauer, Platini, Eusebio.”

Het compliment voor de vorige week overleden Cruijff is afkomstig van Michael Laudrup, de waarschijnlijk beste Deense voetballer aller tijden. Laudrup baseert zijn oordeel vrijwel zeker op Cruijffs Nederlandse jaren. In Barcelona heeft hij namelijk als coach meer indruk gemaakt dan als speler. Alleen in zijn eerste seizoen als voetballer werd Cruijff met Barcelona landskampioen. De vier jaren daarna niet. De titel van 1974 was wel een heel belangrijke, want het was voor de Catalanen de eerste sinds 1960. In zijn laatste jaar bij Barcelona veroverde Cruijff de Spaanse beker. Zijn tweede en laatste prijs. Als coach leidde hij de club naar maar liefst elf prijzen, met de winst van de Champions League – de eerste in de clubgeschiedenis –en vier landstitels als de belangrijkste trofeeën. Waar veel critici de neergang van het Nederlandse voetbal wijten aan een gebrek aan fysieke scholing en mentaliteit, daar zocht Cruijff het meer in technische en tactische tekortkomingen. In columns hekelde hij bij herhaling de manier van opbouwen die in Nederland gemeengoed is geworden. “Door de back te laten opbouwen, in plaats van hem bij de aanval te betrekken, worden de middenvelder en buitenspeler aan zijn flank buitenspel gezet. Blijven de backs tijdens de opbouw staan, dan kan de centrale verdediger bijvoorbeeld de rechtermiddenvelder aanspelen, die de bal op de centrale middenvelder kaatst, waarna de rechtsbuiten wordt aangespeeld. Zo zou het moeten zijn, maar de nieuwe generatie trainers blijkt anders te zijn opgeleid en daarin schieten ze steeds verder door.” Bij leven bleek Cruijffs kritiek helaas aan dovemansoren gericht. Nu zijn visie nalatenschap is geworden, komt daar – hoe wrang ook – mogelijk verandering in.

Wim Masker


Auteur

Marc Jansen