Ulfert Molenhuis: altijd speuren naar onrecht

Groningen

Met de bevlogenheid waarmee Ulfert Molenhuis vroeger criminelen de pas afsneed, werkt hij tegenwoordig voor de voedselbank. “Trekvogels lossen elkaar af als ze moe zijn, maar mensen kunnen dat kennelijk niet.”

Door Arjen J. Zijlstra

“Vooraf aan een interview weet ik al grotendeels wat ik kwijt wil”, zegt Molenhuis (68) aan het eind van ons 3 uur durende gesprek. “Dus soms geef ik een ander antwoord dan de interviewer wil horen.” Het zal voor de oud-rechercheur waarschijnlijk altijd wennen blijven zelf bevraagd te worden. Als hij vertelt over zijn werkzaamheden bij de recherche – eind jaren '70, begin jaren '80 –stralen zijn ogen. “Ik werkte samen met een vaste maat. Bij verhoren was hij een beetje de vaderfiguur en ik was degene die aan het woord was. Dat waren heel andere tijden. Als iemand niet bekende dan zei ik soms tegen de bewaker van het cellencomplex: voor hem geen matras, geen muziek en geen tijdschriften. De meesten hielden zo’n beperking dan niet lang vol. Maar zoiets kan tegenwoordig niet meer.” Wie vluchtig een blik werpt op het cv van Molenhuis, zou kunnen denken dat het een synopsis is van een jongensboek. Hij werkte korte tijd als spion in de Sovjet-Unie: “Je begrijpt dat ik daar weinig over kan zeggen.” Hij beveiligde Soestdijk en de van Vollenhovens: “Waren de honden van Pieter Christiaan weer weggelopen. Zochten we met een team uren lang in het bos.” En op de Noordzee onderschepte hij eens 4000 kilo hasj: “Ik besloot uiteindelijk te schieten op de machinekamer om die boot te stoppen. Gelukkig zat daar niemand de olie te verversen.”

GVAV-Rapiditas

Jarenlang werkte Molenhuis soms wel 100 uur per week. In de jaren '90 als directeur en grootaandeelhouder van een beveiligingsbedrijf, dat hij in 2000 voor een goede prijs wist te verkopen. Daarna werkte hij als vrijwilliger bij slachtofferhulp en als voorzitter bij GVAV-Rapiditas. Bij GVAV startte hij zowel een armoedeproject – “Arme kinderen konden kosteloos bij ons voetballen, op voorwaarde dat 1 van de ouders bij ons vrijwilligerswerk deed” - als een allochtonenproject. Vele tientallen asielzoekers konden gratis lid worden. Maar op voorwaarde dat ze Nederlands spraken in het team. “Dus dat moesten ze dan leren. En tegelijk werd binnen zo’n team de acceptatie van buitenlanders ook groter.” Veel maatschappelijke organisaties subsidieerden dit graag omdat dit uiteraard de integratie bevorderde. Op dezelfde manier kwamen bij het armoedeproject de ouders dichter bij de samenleving te staan, wat in enkele gevallen zelfs leidde tot een baan.

Tot in de cel

Molenhuis begeleidde enkele van die buitenlandse jongens intensief bij hun asielprocedure, waarbij zijn kennis van het recht erg goed van pas kwam. Een handtekeningenactie of een gesprek met de burgemeester, hij liet geen troef onbenut om uitzetting tegen te gaan.Op dit moment begeleidt hij nog 1 persoon. “Alleen als blijkt dat iemand niet de waarheid vertelt, dan is het ook meteen over en uit.” Maar heeft Molenhuis wel het vertrouwen, dan gaat hij vaak door het vuur voor ze. Dat ging zelfs zo ver dat hij in Ter Apel samen met iemand, die zo goed als uitgeprocedeerd was, de cel in ging. “Ze wilden me daar natuurlijk weghebben, maar ik zei: nee, ik wil wel weg maar dan gaat hij mee. Uiteindelijk kwamen we samen die nacht te liggen in een ruimte met alleen een dun dekentje en de airco op koud. Ze zaten me echt te pesten. Maar ik bleef spijkerhard.” De invloed van Molenhuis op de uiteindelijke beslissing valt natuurlijk niet terug te lezen in het dossier. Maar feit is dat de jonge Angolees die hij tot in de cel begeleidde de volgende dag een verblijfsvergunning kreeg.

Enige uitje

De laatste 3 jaar zet Molenhuis zijn overtuigingskracht en organisatietalent vooral in als voorzitter van de voedselbank Groningen. Molenhuis vertelt dat Groningen een van de armste steden van Nederland is met een bijzonder hoog aantal kinderen dat in armoede leeft. De voedselbank helpt dan ook zo’n 600 gezinnen uit de gemeente. Het zijn de allerarmsten die door pech of onverstandige beslissingen vaak ook schulden hebben. 1 keer per week kunnen ze een voedselpakket samenstellen. Een vrijwilliger loopt dan met ze mee langs de schappen. Om te zorgen dat ze niet meer meenemen dan toegestaan, maar ook om een praatje te maken en te polsen hoe het ervoor staat. Er is vaak ook een maatschappelijk werker aanwezig die ze van advies kan voorzien. “Voor de meeste mensen is dit het enige uitje van de week. Want ze hebben simpelweg geen geld om ergens naartoe te gaan.”

Schaamte

“Sommigen nemen van huis uit Albert Heijn-tassen mee en houden dan voor de kinderen de schijn op dat ze naar de supermarkt gaan.” Molenhuis beschrijft hoe armoede vaak als een deken van schaamte over mensen hangt, waardoor ze geïsoleerd raken. Terwijl ze juist een netwerk moeten opbouwen om uit de armoede te komen. Voor sommigen is de eerste stap uit de armoede simpelweg leren lezen en schrijven. Als blijkt dat een klant niet kan lezen, dan biedt de voedselbank in samenwerking met het Alfa-college de mogelijkheid om dit te leren. Het is één van de initiatieven van de voedselbank om armoede ook bij de bron aan te pakken. Om alles draaiende te houden is naast de inbreng van voedsel, door winkels en particulieren, jaarlijks zo’n 80.000 euro nodig. Molenhuis hoopt dat dit jaar een groot deel van dat geld binnengehaald kan worden met een kunstveiling op 4 november, waar zelfs Ploeg-schilderijen worden aangeboden. Molenhuis droomt ervan dat de biedingen de pan uit rijzen. Maar zijn allergrootste droom: dat de voedselbank eens voorgoed de deuren zal sluiten.

Auteur

Marc Jansen