Jan Beekman kent alle zwanenparen in Stad

Groningen

 Bioloog en zwanen-onderzoeker Jan Beekman kent vrijwel alle zwanenparen in en rondom de stad. Hij volgt hun ontwikkeling, zet zich in voor bescherming en geeft voorlichting. “Bijna de helft van de nesten wordt leeggehaald of kapotgemaakt.”

Door Arjen J. Zijlstra

Jan Beekman zit gehurkt bij een zwanennest en houdt een ei tegen zijn oor. “Moet je eens luisteren”, zegt hij met een enthousiasme waaruit totaal niet valt op te maken dat hij dit al 1000 keer heeft gedaan. “Je hoort het jong piepen en tikken tegen de schaal. Kijk, er zit zelfs al een klein gaatje in het ei. Dit duurt niet langer meer dan een dag.” Kort daarvoor had Beekman de ouders bij het nest weggehaald, waarbij de vader zich niet meteen gewonnen gaf. Met breed gespreide vleugels benaderde hij de bioloog, die daar met zijn ruim 35 jaar zwanenervaring doortastend op reageerde: hij pakte het dier in een houdgreep en zette hem - onder luid sissend protest - even verderop in de sloot. Deze verstoring van de nestrust is volgens de zwanenexpert een kleine prijs voor de voordelen op lange termijn. “De kennis die we opdoen met het monitoren van broedsucces, het meten en wegen van zwanen en het in kaart brengen van de trekbewegingen heeft ten eerste als doel wetenschappelijke kennisvergroting. Maar dat soort kennis kan op de lange termijn ook bijdragen aan de bescherming van de zwaan.” “We ontdekten bijvoorbeeld dat de zwanen-immigratie in de provincie veel groter is dan de emigratie. Voor biologen is dat een teken dat de soort moeite heeft zichzelf in stand te houden. Onder andere door deze informatie geeft de provincie nu geen toestemming meer aan jagers om zwanen af te schieten.”

Burgerlijke stand

Beekman, die voorzitter is van de Zwanenwerkgroep van de Groningse vogelaarsvereniging Avifauna, houdt zich vanaf 1979 actief bezig met zwanen. Eerst als student, later als onderzoeker aan de universiteit . En sinds hij de laatste jaren een baan heeft bij een advies- en ingenieursbureau is het zijn grootste hobby. Maar deze vrijetijdsbesteding kun je gerust een deeltijdbaan noemen. Elk weekend is hij in het veld te vinden. Ook geeft hij lezingen en houdt soms excursies voor jonge mensen om ze enthousiast te maken voor de natuur. En elk jaar neemt hij de hele maand augustus vrij van zijn werk om met de vele vrijwilligers van de werkgroep zwanen te ringen. Met die ringen kan hij de ontwikkeling van de zwanen volgen. “Elke zwaan heeft z’n eigen ‘burgerservicenummer’. Van de hele zwanenpopulatie wordt op die manier de burgerlijke stand bijgehouden.” Ook worden weleens gele halsbanden met een nummer geplaatst omdat de ringen in veel gevallen moeilijk leesbaar zijn van een afstand en op het water. “Dat doen we maar bij enkele zwanen, want het is natuurlijk geen mooi gezicht. Maar doordat die halsbanden altijd goed leesbaar zijn heeft het mooie inzichten opgeleverd. Zo weten we nu bijvoorbeeld meer over hun trekgedrag in de ruitijd.”

Helikopter

De zwanensoort die Beekman onderzoekt en beschermt is de iconische witte zwaan, de knobbelzwaan. Maar als onderzoeker aan de universiteit heeft hij ook jaren onderzoek gedaan naar de kleine zwaan. Het bracht hem onder andere naar Alaska en Noord Rusland. “Met een watervliegtuig of helikopter werden we in broedgebied gedropt. Onze verblijfplaats was een oud vissershutje. Met slechts een kist vol spullen en een boot moesten we ons dan maanden zien te redden daar op de toendra.” Boeren echter, delen niet altijd Beekmans passie, omdat zwanen gras en gewassen kunnen aanvreten. “Bijna de helft van de nesten wordt leeggehaald of kapotgemaakt en dat gebeurt dan ook voor het grootste gedeelte door jagers en boeren. Maar boeren die zwanen laten afschieten of nesten leeghalen hebben uiteindelijk vaak juist meer last van zwanen. Want als je een zwanenpaar laat zitten dan wordt dat gebied hun territorium. En zo houden zij zwanen die nog geen paartjes gevormd hebben, en dus in grote groepen leven, van het land af. Het laten zitten van een zwanenpaartje is dus een vorm van biologische bestrijding.”

Te koop: geweer

Deze boodschap verkondigt Beekman regelmatig aan boeren die zwanen op hun land hebben. De overtuigingskracht die hij hierbij inzet, zat er al jong in. Zo lukte het hem als veertienjarige zijn vader te laten stoppen met jagen. “Mijn vader was zelf ook een natuurman, hij was dierenarts. Dus hij kwam veel buiten en ik ging dan vaak met hem mee. Hij jaagde ook en hij viste en nam me natuurlijk ook mee met dat soort activiteiten. Hij schafte ook natuurboeken voor me aan. Zo heeft hij in de loop van mijn jeugd overal wat zaadjes geplant die ertoe leidden dat ik bioloog ben geworden.” “Alleen het jagen begon me echt tegen te staan. Ik zei: ‘Pa, die jacht dat slaat helemaal nergens op. Dat moet je helemaal niet willen.’ We hebben er toen veel discussie over gehad en uiteindelijk zei hij: ‘Jan, je hebt gelijk. Weet je wat ik doe, ik verkoop mijn geweer.’ Dat was wel heel cool, echt mijn biggest achievement als bioloog, dat ik een jager eraf hebt gepraat! M’n pa heeft er een camera voor in de plaats gekocht om de natuur te fotograferen.” Dan legt Beekman het ei terug en schuifelt de moeder weer richting het nest, terwijl de vader met veel bombarie waterskiënd neerstrijkt in zijn territorium. “Morgen hebben ze kuikens,” zegt Beekman met een tevreden blik.

Auteur

Marc Jansen