Buitenspel | Leren van Duitse voetbalpiramide

Groningen

[caption id="attachment_52811" align="alignright" width="120"] Wim Masker.[/caption]

Duitsland staat morgenavond alweer voor de negende keer in de halve finale van het Europees Kampioenschap voor landenteams. Tot dusver werd die Mannschaft 3 keer kampioen, 3 maal tweede en 2 keer was de halve finale het eindpunt. De bijna voortdurende successen van onze oosterburen kunnen niet los worden gezien van het feit dat de DFB maar liefst 6,6 miljoen leden telt. Maar ook de telkens opnieuw verbeterde competitieopzet speelt een rol. De Bundesliga is pas ontstaan in 1963, 7 jaar na de Eredivisie. Onder de Bundesliga vormden aanvankelijk 5 Regionalliga’s het tweede niveau. Om voor een sterkere onderbouw te zorgen, voerde de DFB de Tweede Bundesliga in. Eerst nog onderverdeeld in een noordelijke en een zuidelijke afdeling. In 2008 voegde de bond met de Derde Bundesliga nóg een landelijke profliga aan de voetbalpiramide toe. Met in totaal 56 clubs heeft het grote Duitsland een relatief bescheiden profafdeling. In de 5 Regionalligen wordt namelijk slechts semi-profvoetbal gespeeld. Bijzonder is dat zowel de (semi-) profclubs als de amateurclubs in Duitsland met hun tweede en soms zelfs derde elftal aan de voetbalpiramide deelnemen. In Nederland mogen alleen de profclubs dat, maar topamateurclubs als Be Quick 1887 niet. Dat is jammer. Be Quick onder 23 jaar zou moeiteloos in de tweede klasse meedraaien, maar speelt nu op een veel te laag niveau. Hoe ruimte te creëren voor amateur-beloftenteams? Door naar Duits voorbeeld de omvang van de speelklassen in het amateurvoetbal op te hogen naar 16 of 18 clubs. Desnoods om te beginnen in de eerste en tweede klassen. Dat is waarschijnlijk afdoende, want daarvan telt het amateurvoetbal er alleen al 33! Tweede elftallen van kleinere amateurclubs zouden moeten kunnen instromen op het laagste amateurniveau.

Wim Masker


Auteur

Marc Jansen