Buitenspel | Mythe van de weerstand

Groningen

[caption id="attachment_52811" align="alignleft" width="120"] Wim Masker.[/caption]

Europees kampioen worden, dat wilde Oranje onder 19 jaar deze zomer. Hoe anders was de afloop. Met de staart tussen de benen droop de formatie van bondscoach Aron Winter af. Op een 3-1 zege tegen Kroatië volgde een 2-1 nederlaag tegen Engeland in blessuretijd. Incidentje, dacht de als gouden lichting omschreven spelersgroep. Maar Frankrijk veegde Oranje met 5-1 van de mat en in de strijd om de vijfde plaats bleek Duitsland net zo superieur, al kwam dat niet in de uitslag tot uiting. De Duitsers wonnen pas na strafschoppen. Veel critici trokken na de uitschakeling weer eens de fysieke kaart. De tegenstanders waren allemaal groter en sterker geweest. En Nederlandse talenten zouden lijden onder een gebrek aan weerstand. Ik denk dat ons voetbal vooral tactisch verouderd is. Waar je ook kijkt op zaterdagmiddagen: alle jeugdploegen spelen een statisch 4-3- 3. De opbouw is ‘verzorgd’, maar vaak strooptraag. Dat Oranje onder 19 jaar niet verder kwam dan de zesde plaats – wat overigens zo slecht nog niet is – is een kwestie van kwaliteit. Zeker, de spelers van kampioen Frankrijk en Duitsland zijn sterker, maar ze zijn ook betere voetballers. In de periode 1970-1974 was Nederland hét toonaangevende voetballand. Wijlen Dave Sexton, erkend Brits kenner van het Nederlandse voetbal, verklaarde voor de BBC de successen van het kleine buurlandje destijds als volgt: “In Nederland heb je bij twee clubs een unieke bundeling van toptalent. Zij stuiten in hun competitie nauwelijks op weerstand en zijn daardoor topfit tijdens internationale wedstrijden. Dat zijn onze spelers na talloze zware wedstrijden niet.” Om eraan toe te voegen: “Maar ik heb ze nog niet gezien, de opvolgers van Cruyff, Van Hanegem, Rensenbrink en Krol.” Oftewel de mythe van de weerstand. Kwaliteit, daar gaat het om.

Wim Masker


Auteur

Redactie