Gerrit Jan Niemeijer dirigeert slotakkoord

GRONINGEN

Gerrit Jan Niemeijer legt na 55 jaar zijn directiestokje neer als cantor van de Cantorij van het Groninger Studentenpastoraat. Waarmee ook een einde komt aan dit koor. “De muziek mag haaks staan op de preek.”

Door Arjen J. Zijlstra

“Ik was verbijsterd”, vertelt Niemeijer (75) over de eerste keer dat hij als koorknaap in de Matteüspassie mocht meezingen. “Ik was zo onder de indruk van wat ik hoorde. En die handgebaren van de dirigent richting het orkest: huppakee! Maar op een gegeven moment zag ik een paar orkestleden die even niet hoefden te spelen in hun tas rommelen. En wat zetten ze op de lessenaar? Een tijdschrift…” “Ik snapte dat totaal niet, want ik was helemaal plat van de muziek. Maar later begreep ik ook wel dat die mensen het jaar in jaar uit moeten spelen. Met de Cantorij van het Groninger Studentenpastoraat ben ik dat soort dingen nooit tegengekomen. Wij doen ook niet van die lange stukken. Maar de Matteüs heb ik natuurlijk wel meegenomen in mijn rugzakje.” Een portret van componist én cantor Johann Sebastian Bach hangt dan ook in Niemeijers werkkamer. “Alleen met die grootheid durf ik echt niet op de foto, hoor.”

Reve op muziek

Als cantor is Niemeijer verantwoordelijk voor de muzikale omlijsting van de interkerkelijke diensten van het Groninger Studentenpastoraat in de Martinikerk. “Ik neem de kern van de evangelielezing die de dominee in de dienst behandelt en die laat ik terugkomen in de muziek die ik schrijf. Andere teksten haal ik uit de traditie van de late middeleeuwen tot nu. Dat kan ook moderne poëzie zijn.” “De muziek mag ook wel haaks staan op de preek om de mensen wat aan het denken te zetten.” Zo denkt hij nog met veel plezier terug aan een drietal gedichten van Gerard Reve die hij in de vroege jaren negentig met het koor uitvoerde. Deze verzen van de volksschrijver schudt Niemeijer dan ook nog moeiteloos uit zijn mouw: “Eigenlijk geloof ik niets en twijfel ik aan alles/ zelfs aan U./ Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft, / dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam, / en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt/ zoals ik U.”

Zingen in Zeerijp

“De inkt van de noten was nog nat, toen hing de KRO-radio al aan de lijn. Ze vonden het prachtig, dus ze wilden het graag opnemen.” Maar dit was absoluut niet de eerste keer dat hun gezang door Hilversum werd vastgelegd. Zo waren ze eind jaren zestig voor het eerst te zien in een televisieprogramma rond kerkmuziek. En vanaf 1975 gebeurde dit met nog grotere regelmaat. Toen Niemeijer gevraagd werd het wekelijkse IKON-programma ‘Lied van de Week’ te presenteren. De opnamen waren vaak in de Jacobuskerk in Zeerijp. “In de beleving van de televisiemensen was dat hetzelfde als Siberië.” Maar ze waren onder indruk van de geweldige akoestiek. De Cantorij zong veel uit het in 1973 verschenen ‘Liedboek voor de Kerken’, met onder andere teksten van Huub Oosterhuis. Zo speelde ze een grote rol in het populariseren van deze bundel in kerkelijke kring.

Passies

Niemeijer schreef ook twee passies. Zoals ‘Een mens te veel’. Dat gewaagd is door de meditatieve stiltes die het bevat. “Als slotkoraal klinken de zeven ‘Ik ben-woorden’ van Christus. Zoals ‘Ik ben de goede herder…’ of ‘Ik ben de wijnstok…’ gevolgd door een bijzonder lange stilte.” “Het is dan muisstil in die grote bak. Ga maar eens twee minuten stil zijn, dat is lang hoor. Dan heb je tijd om na te denken. Een verschil met Bachs Matteüs is dat die heel droevig eindigt.” Maar Niemeijer beschrijft zijn stuk als wat lichter in de zin dat het al een beetje vooruit kijkt naar Pasen. De dag waarop Jezus opstaat uit de dood. “Alleen ik wil niet de pastor uithangen hoor. Ik probeer op mijn eigen manier iets van het geheim van Pasen over te brengen.” Niemeijer, die ook jarenlang werkte als docent kerkmuziek aan het conservatorium, verwacht het werk als cantor wel te gaan missen. Maar het koor is te uitgedund en er komen geen nieuwe leden bij.

Scheepslasser

Eén koorlid zal Niemeijer altijd bijblijven. “Een 16-jarige jongen die werkte als scheepslasser. Hij was smoorverliefd op een van de alten. Dat was de enige reden dat hij mee wilde zingen. Maar hij kon geen noot lezen.” “Toch pakte hij het een en ander snel op. Toen heb ik hem noten leren lezen. Twee jaar later vertelde hij te stoppen. Dat vond ik jammer want hij had een prachtige tenorstem. Maar hij stopte omdat hij was aangenomen op het conservatorium!” “Na zijn afstuderen kreeg hij een vaste baan bij het Nederlands Kamerkoor. Als hij dan in Groningen optrad, stak hij altijd even zijn duim naar mij op en knikte.” Zoals Niemeijer ook nog weleens knikt naar Bach. Zondag 11 december om 11.30 uur zingt de Cantorij van het Groninger Studentenpastoraat voor het laatst. In de Martinikerk.

Auteur

Marc Jansen