Keus aan FC Groningen

GRONINGEN

Investeren in aankopen, of eigen talent de kans geven? Het toch al niet misselijke begrotingstekort verder laten oplopen of juist proberen dat te verminderen?

Door Wim Masker

Op 13 januari 2006 nam FC Groningen tegen Heerenveen officieel Euroborg in gebruik. Sindsdien is er veel veranderd. Twaalf jaar geleden kon de club nog bankzitters uit de Premier League (Andreas Granqvist) of de Bundesliga (Fredrik Stenman) naar de eredivisie lokken. De spelers leverden weliswaar één of twee ton salaris in, maar konden in Groningen hun loopbaan een nieuwe impuls geven. Anno 2018 verdienen spelers van het niveau-Granqvist minstens het tienvoudige in Engeland en is een Nederlandse subtopper of middenmoter geen acceptabel financieel alternatief meer voor een tijdelijk in het slob geraakte carrière.

Concurrentie sterker

Ook in eigen land zijn de concurrentieverhoudingen sinds 2006 drastisch veranderd. De topclubs hebben financieel afstand genomen. Kleinere clubs zoals PEC Zwolle en Heracles hebben hun kleine stadions fors uitgebreid. Beide kunstgrasclubs hebben hun inkomsten daardoor aanzienlijk weten te vergroten. Concurrenten als Vitesse en FC Utrecht zijn FC Groningen door private investeerders inmiddels ruimschoots voorbijgestreefd. Vitesse is sinds 2010 in buitenlandse handen. De Rus Alexandr Tsjigirinski draagt jaarlijks om onduidelijke redenen tussen de 10 en 14 miljoen bij aan de vrij bescheiden omzet. De Arnhemse club kan daardoor met een begroting van tussen de 25 en 30 miljoen werken. In Utrecht vult Frans van Seumeren uit liefde voor club en stad al jaren miljoenentekorten aan. Van Seumeren regelt bovendien de voorfinanciering van transfers. Na jaren van investeren zijn FC Utrecht en Vitesse beide FC Groningen (en Heerenveen) gepasseerd op de meerjarenranglijst die bepalend is voor de uitkering van tv-gelden. Het leverde de noordelijke clubs een inkomstenverlies op van circa 1,5 miljoen euro.

Fors tekort

FC Groningen besloot desalniettemin vorige zomer aan de uitgavenkant voorlopig niet te bezuinigen. Daardoor presenteerde Hans Nijland op de jaarlijkse persdag in augustus een stevig begrotingstekort. Eentje van 2,2 miljoen op een verwachte omzet van 16,5 miljoen euro. Het tekort zou worden gedekt uit eigen vermogen. De directeur liet wel waarschuwende woorden horen. Mocht het dit seizoen niet lukken om de verloren gegane tv-gelden te heroveren dan zijn bezuinigingen straks onontkoombaar. Tenzij de inkomsten op ander gebied fors toenemen. Halverwege het seizoen kunnen we vaststellen dat de achterstand op Vitesse en FC Utrecht waarschijnlijk alleen maar verder zal toenemen.

Beter verdienmodel

FC Groningen zou het begrote tekort verder kunnen laten oplopen en de inkomsten uit de transfer van de qua salaris niet al te dure Oussama Idrissi kunnen aanwenden voor één of meer dure aankopen. Misschien gaat de club dat alsnog doen. Er is nog een week te gaan. Waarschijnlijk is het niet. Dure aankopen bieden, zoals is gebleken, geen enkele garantie op succes. FC Groningen heeft de laatste jaren geen gelukkige hand gehad in het aantrekken van dure spelers. De grootste boekwinsten zijn vooral geboekt met zelf opgeleide spelers (Leandro Bacuna, Richairo Zivkovic) of met jong gescoute, transfervrije spelers (Virgil van Dijk, Oussama Idrissi).

Opleiden

Met vier jonge spelers uit eigen opleiding: Yoëll van Nieff (24), Juninho Bacuna (20), Ludovit Reis (17) en de gedegen debuterende Tom van de Looi (18) pakte FC Groningen zondag in Tilburg een verdienstelijk puntje tegen het te laag geklasseerde Willem II. Het gevaarlijke spitsenduo Fran Sol-Bartholomew Ogbeche werd knap geneutraliseerd. Voor FC Groningen liggen de grootste groeimogelijkheden vooral in het versterkt inzetten op de eigen opleiding en het aantrekken van nog niet gehypet – en daardoor te duur – talent. Maar talent alleen volstaat niet. Daarnaast zal er altijd ruimte moeten zijn voor ten minste een handjevol al wat oudere, waardevolle krachten in de leeftijdscategorie van 25 jaar en ouder. Ervaren spelers die talenten bij de hand kunnen nemen.

Auteur

Marc Jansen