Wonen tussen natuurschatten

GRONINGEN

Als tienjarige legde Klaas Nanninga een schelpjesverzameling aan. Nu heeft de oud-biologieleraar zijn eigen Natuurmuseum aan huis waar je als bezoeker ogen te kort komt. Maar ook oren: “Met een verhaal erbij komt het tot leven.”

Door Arjen J. Zijlstra Wie zich in de verschillende kamers van het museum vergaapt aan de vele opgezette vogels, zoogdieren, vissen, amfibieën, insecten en spinnen van over de wereld, denkt wellicht dat alleen de Ark van Noach meer verschillende dieren telde. “Ik vind het heel leuk om de variatie binnen een bepaalde soort te tonen. Ik kan hier wel één zeester neerleggen of drie krabben, maar het wordt pas interessant als je heel veel verschillende vormen en kleuren binnen zo’n soort laat zien.” Het grootste deel van de collectie zit in glazen kijkkasten. “Het laatste dat af is gekomen is dit kastje hier naast mijn bureau, met een familie witoorpenseelaapjes uit Zuid-Amerika. Nu ben ik echt aan het zoeken waar ik het kastje kwijt kan. Het wordt steeds lastiger om een plek te vinden. Mijn vrouw zegt: Dan houd je toch een soort wisselexpositie? Maar ik wil niets tijdelijk wegstoppen. Ik wil al mijn schatten om mij heen.” Veel van de kasten, die Nanninga zelf bouwt, geven een beeld van hoe het dier leeft. “Vaak heb ik de dieren al lang in huis, maar staan ze ergens los. Ik vind het uiteindelijk het leukst om er één geheel van te maken, zodat mensen ook een idee krijgen van de leefomgeving. In dat maakproces word ik steeds creatiever. Dat water bijvoorbeeld bij die watervogels is van kunsthars.”

Sleutel

Bij elke kast ligt een kort infotekstje en bij elk dier een naamkaartje. Dat is niet alleen voor de fervente liefhebber, legt Nanninga uit. “Als biologieleraar heb ik altijd benadrukt: als je meer wilt weten over een dier, dan moet je de naam kennen. De naam is de sleutel tot het kastje met informatie.” Gelukkig is voor de bezoekers van het Natuurmuseum het ‘kastje met informatie’ nooit ver weg in de persoon van Klaas Nanninga. Afhankelijk van de interesse van de mensen die hij op afspraak rondleidt, deelt hij graag zijn kennis over wat er in de uiteenlopende kijkkasten te zien is. “Ik vind het leuk om mensen te laten zien hoe mooi en interessant het is. Met een verhaal erbij komt het tot leven. En als ik ze zo ook nog een beetje kan interesseren om zich in te zetten voor natuurbehoud, dan is dat mooi meegenomen.”

Slang

“Ik heb nooit het idee gehad dat ik ooit een museum wilde beginnen, dat is langzaam gegroeid. Toen ik als jong ventje voor de klas kwam te staan, merkte ik dat het veel leuker is als je bij het lesgeven iets kunt laten zien. Dus als het over slangen ging dan nam ik een heel lang slangenvel mee en die rolden we helemaal uit. Iedereen kon er dan ook aan voelen. “Dat was voor mij een stimulans om gericht dingen te verzamelen die ik in de les kon gebruiken. Later ben ik dat steeds meer gaan uitbouwen. Toen ik negen jaar geleden met pensioen ging, ben ik ook die kasten gaan bouwen. En omdat ik er de tijd voor had is dit een museum geworden.”

Gestoord

Ook schrijft Nanninga wekelijks een column in het Nederlands Dagblad over een item uit zijn museum. “Ik vind het dan vooral heel leuk om ook de minder bekende kant van zo’n dier te belichten. Niet alleen vanuit mijn vak als bioloog, maar ook vanuit de filosofie, psychologie, religie en cultuur. Neem nou zo’n dier als de pinguïn. De meeste mensen lopen ermee weg en in documentaires laten ze altijd het mooi plaatje zien over hoe vader en moeder zich over het ei ontfermen. Maar er is ook een hele andere kant.” “In mensentermen zouden we het hebben over pedofilie, gangbangs en verkrachting. Echt compleet gestoord gedrag. Tenminste in onze optiek. Zo zijn er veel meer dingen in de natuur die wij als mens als wreed zouden bestempelen. Ik ben christen en als ik een lezing houd voor gelovige mensen dan heb ik het juist ook over dit soort onderwerpen. Ik stel graag lastige vragen, zoals: wat zegt dit over de Schepper? Soms worden mensen zelfs een beetje boos omdat ik een bepaald mooi beeld een beetje van hen afneem.” “David Attenborough noemt dat ook wel een ‘rozen- en kolibriegeloof’. Dat je wel in God gelooft, maar je ogen sluit voor de dingen die we als mens als lelijk of wreed ervaren. Ik zie God in de schoonheid van de natuur. Daar geniet ik ook van als kijk naar de dieren in mijn collectie: de constructie en de kleurenpracht. Maar God is ook de schepper van de sluipwesp. Die legt zijn eitjes in een spin en de larfjes die daaruit komen, vreten de spin langzaam vanbinnen op. Maar ze eten eerst om de vitale organen heen zodat de spin nog zo lang mogelijk in leven blijft.”

Vraagtekens

“Natuurlijk is voor mij, als iemand die opgeleid is in de wetenschap, het verhaal van Jezus die opgestaan is uit de dood te gek voor woorden. Maar de vraag hierbij is: heeft mijn verstand het laatste woord of maak ik ruimte voor iets wat daar bovenuit stijgt?” “Een Schepper en het proces van evolutie zijn voor mij ook niet in tegenspraak. Bovendien is geloof voor mij niet een lijst met stellingen waar je je handtekening onder zet. Het is een relatie met ups en downs, die zich verdiept door de jaren heen.” En de vraagtekens, daar kan Nanninga goed mee leven. “De Schepping is niet pas goed als ik de kloppende antwoorden heb geformuleerd. Wie weet dat die antwoorden inderdaad komen na de dood. Het wordt dan alleen maar beter. En ik vind het nu al zo mooi.” Tot die tijd zoemt af en toe een sluipwesp in zijn gedachten. Zin om een keer op afspraak het museum aan de Korreweg 70 te bezoeken? Kijk op: www.rijknatuurmuseum.nl.

Auteur

Redactie