Roger Goudsmit: ‘Je kunt als acteur veel geven’

GRONINGEN

In welke huid acteur Roger Goudsmit ook kruipt − Gandhi, een KNIL-soldaat of juist een komische rol… − hij leert ook zichzelf er iets beter door kennen. “Hoe dichter je bij jezelf durft te blijven, hoe universeler het wordt.”

“Ik kan het me nog heel goed herinneren: ‘Vuile moordenaar! Molukker, ga terug naar je eigen land!’ Ik klapte dicht. Het was op het schoolplein, een dag nadat de treinkaping bij De Punt ten einde was gekomen. Opeens was ik niet meer dat naïeve tienjarige jochie uit Delfzijl, maar een jongen met Molukse roots. Hoewel ik maar gedeeltelijk een Molukse achtergrond heb, via mijn vaders kant.”

Roger Goudsmit (49) heeft zowel Indonesisch, Moluks, Nederlands, Joods en Afrikaans bloed in zich. Zijn ouders, die elkaar in Appingedam ontmoetten, kwamen in 1965 naar Nederland als gevolg van de politieke onrust in Indonesië. “Het was rond de bloedige couppoging van Soeharto. In die jaren zijn bijna een miljoen mensen vermoord. Alles wat maar een beetje riekte naar Nederland hoorde ook bij de vijand.”

Genen

“Ze waren dus vluchtelingen. Daarin onderscheiden ze zich van de vierduizend KNIL-militairen en hun gezinnen die vijftien jaar eerder naar Nederland kwamen. Met de belofte dat ze snel terug zouden kunnen keren, om dan vorm te kunnen geven aan de pas opgerichte Republiek der Zuid-Molukken. Dat RMS-ideaal leeft nog steeds bij een harde kern. Zij zien zichzelf absoluut niet als vluchtelingen. Zij zijn hier gekomen op dienstbevel van Nederland. Dat zit in hun genen gewrocht.”

Goudsmit groeide dan ook niet op in een Molukse wijk zoals dat bij kinderen van KNIL-militairen vaak wel het geval was. “Ik ben enorm liefdevol opgevoed door mijn Indische oma. De drie jongste kinderen van mijn oma woonden ook nog thuis, zij waren uiteraard wel een stuk ouder dan ik. Als jongste werd ik erg verwend door iedereen. Ik had een geweldige jeugd. In mijn pubertijd heb ik voor de Groninger KNVB-jeugdselectie gespeeld, ik maakte muziek en had een groot sociaal leven.”

“Maar hoe fijn het ook was, het is waar dat ik me wel heb afgevraagd – en nog steeds vaak afvraag – waarom mijn ouders mij niet hebben opgevoed. Ik was een ongewenst kind voor hen, dat ze ter adoptie wilden afstaan. Uiteindelijk heeft mijn oma de zorg op zich genomen.”

Vliegen

Een duidelijk antwoord naar het waarom wist Goudsmit nooit los te peuteren bij zijn ouders, bij wie hij als kind nog wel regelmatig op visite ging. “Eergisteravond voelde ik de drang om naar het oude RKZ te wandelen, het ziekenhuis waar ik geboren ben. Ik probeerde me te verbeelden hoe het gegaan moet zijn. Je hebt een kindje in je armen en wanneer beslis je niet verder te gaan met dat kind? Toen ik mijn zoon voor het eerst in mijn armen hield, voelde ik: hem laat ik nooit meer los.”

“Toch heb ik net zo goed verkeerde keuzes gemaakt. Vanaf het moment dat ik op de toneelschool zat in Utrecht ben ik een losbandig leven gaan leiden. Ik dacht bij wijze van spreken dat ik kon vliegen. Dat was inderdaad de periode dat ik ook een tijdje in Goudkust speelde. Jarenlang had ik een dubbelleven waar mijn gezin geen deel van uitmaakte.”

“Onbegrijpelijk eigenlijk, dat ik zo graag zuiver wil leven vanuit mijn kernwaarden en toch lange tijd voor het andere heb gekozen. In 2009 kwam er definitief een omslag. Ik ging ook in therapie, maar het leed was al geschied natuurlijk. Ik ontdekte dat de pijn die ik probeerde te ontvluchten deels ook te maken heeft met het oorlogsverleden van de generaties voor mij. Die pijn leer ik dragen. Als je zelf iets niet kunt dragen, dan kunnen je kinderen het ook niet.”

Doorgeefluik

Goudsmit zegt het grootste deel van zijn leven een “nemer” te zijn geweest, maar steeds meer het diepe verlangen te voelen om vooral te geven. “Gelukkig kun je met acteren heel veel geven, je kunt een doorgeefluik zijn voor iets moois. Ik wil een zo zuiver mogelijk doorgeefluik zijn. Alleen dan moet je niet denken dat je kunt vliegen op het moment dat je even in de belangstelling staat. Het gaat erom dat je in het acteren iets deelt wat eventueel zalvend kan werken voor een ander.”

 

“Maar wat hiervoor nodig is, is dat je als acteur of kunstenaar wel dicht bij jezelf moet durven blijven. Dan wordt het universeel. Dan herkennen anderen zich erin en kan er verbinding zijn en kan iemand geraakt worden in het hart. En mogelijk op een andere manier ergens tegenaan gaan kijken door de verschillende perspectieven die iemand op het toneel ziet.”

Tijdelijk verblijf

Theater kan op die manier meer onderling begrip kweken, onderstreept Goudsmit. Hij hoopt dat het ook zal gelden voor het theaterstuk ‘Een tijdelijk verblijf’, het eerste in een drieluik van het theaterproject ‘Aan de andere kant’. In september wordt het gespeeld in Hoogkerk, Appingedam en Bovensmilde. “Mijn rol is die van een getraumatiseerde KNIL-soldaat die met Nederland tegen de Jappen heeft gevochten en deelgenomen heeft aan de politionele acties. Nynke Heeg is mijn tegenspeelster. Ik hoop dat wij en de makers zonder waardeoordeel de Nederlandse en Molukse zienswijze tonen.”

Grunnegs

“Ik heb tot nu toe zoveel bijzondere en uiteenlopende rollen mogen spelen. Inderdaad best vaak over gewichtige onderwerpen. Zo speelde ik eens RMS-president Manusama, maar ook Soekarno. Iets waar ik ook met veel plezier op terugkijk is Hoes en Heerd, dat was ‘Grunnegs global muziektheoater’ over xenofobie en het vluchtelingenvraagstuk. Daarnaast heb ik ook veel lichtvoetige rollen gespeeld hoor. Zo speel ik binnenkort in Hotel Zigterman, dat is een klucht. De eerste voorstelling is 10 mei in Hoogezand.”

“Maar de meest dankbare rol was absoluut die van Gandhi. Ik heb daar zoveel van geleerd. In de zin dat ik zijn boodschap direct ging betrekken op mijn eigen omgeving en mijn gezin. Het klinkt heel cliché, maar je komt altijd weer uit bij liefde. Zoals mijn oma zei: liefde is kracht. En Gandhi ging daarin héél ver. Sjonge, had ik maar íets in mijn grote teen van Gandhi.”

Arjen J. Zijlstra