Wim Masker column Buitenspel: ‘Geboortemaandpolitie’

Jongetjes geboren in de eerste drie maanden van het jaar maken een grotere kans om in een profopleiding te worden opgenomen dan die uit het laatste kwartaal. De gemiddelde geboortemaandverdeling is 40-30-20-10 over de vier kwartalen van een jaar. Waarbij 40 staat voor het percentage jongens geboren in het eerste kwartaal en 10 voor jongens geboren in de laatste drie maanden. Dit verschijnsel staat bekend als geboortemaandeffect.

Een probleem? Volgens sommigen wel. Zij menen dat door de selectiewijze van de profclubs het voetbal grote talenten wordt onthouden. ‘Vroege’ geboortedata in jeugdselecties worden misprijzend besproken. Clubs met veel jeugdspelers uit het eerste kwartaal zijn fout bezig, aldus de geboortemaandpolitie. Talenten van januari zijn bijna verdacht. En helemaal als ze stevig zijn gebouwd.

Ik volg het topjeugdvoetbal al jaren op de voet en zie het onmiskenbare geboortemaandeffect niet als een probleem. Waarom niet? Topvoetballers blijken verspreid over het jaar geboren te zijn. Jeugdscouts kijken in de eerste plaats naar technische vaardigheden, tactisch inzicht, gedrevenheid en motoriek. Slechts een beperkt aantal talenten voldoet aan de hoogste norm. De selecties worden noodgedwongen aangevuld met doorsneetalenten en in deze categorie zijn kinderen uit de eerste geboortemaanden inderdaad oververtegenwoordigd. Domweg omdat ze meestal verder in hun ontwikkeling zijn dan even matig getalenteerde kinderen uit het laatste kwartaal. Nadeel voor de ‘eerstekwartalers’ is dat ze op latere leeftijd – wanneer het kaf verder van het koren wordt gescheiden – ook in grotere getale afvallen.

Het is overigens nuttig om te weten dat in de laatste drie kalendermaanden minder kinderen worden geboren dan in de lente en de zomer. Het geboortemaandeffect is dus niet louter toe te schrijven aan jeugdscouting, maar ook aan geboorteplanning.