Wim Masker colum Buitenspel ‘De Staat van Oranje’

Tot aan het WK voetbal in Rusland zendt de NOS elke donderdagavond de serie De Staat van Oranje uit.

Daarin wordt gekeken wat wij kunnen leren van het buitenlandse voetbal. Voor de eerste aflevering namen de makers een kijkje in Duitsland, waar het voetbal zich begin deze eeuw in een vergelijkbare crisis bevond als het Nederlandse nu. In de Bundesliga maken hoogopgeleide, intelligente jonge trainers zonder grootse voetballoopbaan furore. Jürgen Klopp effende het pad bij Mainz ’05 en Borussia Dortmund, en kreeg succesvolle navolgers in Thomas Tuchel (Paris St. Germain), Domenico Tedesco (Schalke ’04) en Jürgen Nagelsmann (Hoffenheim).

Veel voetballiefhebbers hoopten dat in Nederland de jonge Pepijn Lijnders de eerste succesvolle vertegenwoordiger van een nieuwe, innovatieve trainersgeneratie zou zijn, maar die hoop is vooralsnog ijdel gebleken. Lijnders, die als jeugdtrainer en assistent-trainer waardevolle ervaring opdeed bij PSV, Porto en recentelijk Liverpool, verkeek zich op het niveau van de modale spelers van NEC. Hij reikte hun dezelfde oefenstof en ideeën aan als de topspelers van Liverpool. Lijnders wilde te veel, te snel. De slechte resultaten in combinatie met zijn weinig charismatische en wat wijsneuzerige optreden voor de camera’s kostten hem de kop. Hopelijk leert Lijnders van zijn fouten, want zijn ideeën zijn de moeite waard.

Ondertussen werd Oranje onder 17 Europees kampioen. Op de door Chelsea ingelijfde spits Daishawn Redan na zag ik alle kampioenen afgelopen seizoen op sportpark Corpus den Hoorn voetballen tegen leeftijdgenoten van FC Groningen. Van sommigen droop het talent af. FC Groningen onder 17 kon in dat sportieve geweld verrassend goed mee. Dat vier spelers van dat team onlangs hun eerste contractje mochten tekenen, is dan ook niet voor niets. En hoopgevend.