De bijna verdwenen ‘10’ | column Buitenspel

De Braziliaan Pelé, de beste voetballer van de wereld in zijn tijd, droeg het magische rugnummer in de jaren zestig en zeventig, zijn Argentijnse opvolger Maradona in de jaren tachtig en negentig. En in Europa was het rugnummer 10 lang voorbehouden aan sierlijke spelmakers als de Duitsers Wolfgang Overath en Günter Netzer, de Fransman Michel Platini en onze eigen Willem van Hanegem.

Lionel Messi is de meest rechthebbende drager van het rugnummer in het hedendaagse voetbal. Technisch perfect, tactisch geniaal

Wordt het rugnummer 10 nog steeds meestal gedragen door spelers met grote technische gaven, in de jaren negentig kreeg het dankzij Louis van Gaal vooral een tactische betekenis. Voor de oud-bondscoach duidde het nummer tien een rol aan met bijbehorende taken. De ‘10’ onder Van Gaal was een schaduwspits of centrale aanvallende middenvelder, die samen met de centrumspits voor de goals moest zorgen en daarnaast schakelspeler moest zijn. Cruyff keerde zich op den duur tegen de ‘10’ als tactische entiteit. De beste Nederlandse voetballer ooit - en volgens velen ook de beste coach die dit land heeft voortgebracht - vond dat het middenveld, de strategische belangrijkste linie, met een schaduwspits te vaak werd gereduceerd tot twee spelers. Cruyff en zijn adepten zagen liever één verdedigende en twee aanvallende middenvelders.

Anno 2019 is in de internationale top de tien vrijwel uitgestorven. Net als ouderwetse, plaatsgebonden flankspelers. Barcelona speelt al jaren zonder, evenals de Engelse grootmachten Manchester City en Liverpool. Een beweeglijke, zwervende spits en ‘inverted wingers’ (een doelgerichte ‘linkspoot’ op rechts en een dito ‘rechtspoot’ op links) is nu de tactische mode. Maar voor liefhebbers van de sierlijke 10 is er hoop: Oranje onder 17 werd in mei Europees kampioen met maar liefst drie roulerende ‘tienen’. Helaas gedroegen die zich op het WK onder 17 als de tienen van weleer. Overtuigend meeverdedigen, nee, dat deden ze liever niet.