FC Groningen en de paradox van kopen en steun vragen

GRONINGEN Door de coronacrisis ettelijke miljoenen euro’s aan inkomsten mislopen, daarom elf mensen ontslaan, aan het voltallige personeel een loonoffer vragen, de plaatselijke overheid om uitstel - liefst afstel - van huurbetaling verzoeken en dan toch voor een flink bedrag nieuwe spelers willen aantrekken, gaat dat wel samen?

Op het eerste gezicht niet. Zeker in moreel opzicht niet. Maar als we op de bedrijfseconomische praktijk van het profvoetbal inzoomen toch ook weer wel. Juist wel.

Dat komt omdat sprake is van een paradox. Een schijnbare tegenstelling. Profvoetbalclubs zijn in meerdere opzichten bijzondere bedrijven. Ze willen hun publiek een zo goed mogelijk (voetbal)product bieden en zijn alleen in sportief opzicht op winst gericht. Daarbij nemen ze exploitatietekorten voor lief. Deze tekorten worden weggewerkt met de doorgaans forse afkoopsommen die clubs ontvangen voor spelers die voor het beëindigen van hun contract vertrekken.

Bedrijfsvoering

Ook voor FC Groningen vormt dit een wezenlijk deel van de bedrijfsvoering. Voor het betalen van afkoopsommen voor vervangende spelers had groen-wit na de verkopen van Doan, Memisevic en Sierhuis een stevig miljoenenbudget beschikbaar. Maar het overgrote deel hiervan moet de club nu aanwenden voor de exploitatie. Slechts een relatief klein deel blijft over voor het investeren in goede vervangers voor Te Wierik, Warmerdam, Memisevic, Sierhuis, Itakura en Asoro. Zonder hen is de selectie extreem verzwakt. Met louter jeugdspelers zijn de vacatures niet op te vullen. Zonder sterke vervangers van buitenaf stevent FC Groningen af op een sportief desastreus seizoen met desastreuze financiële gevolgen. Niet investeren in spelers zorgt voor nog veel grotere financiële tekorten. De club moet dus wel.