Een dagje zomer in Groningen aflevering 6: Een rondje over de Diepenring

Een Drent, Fries of Groninger doet in de zomer al gauw eens even een Dagje Stad. Het Forum, het Groninger Museum, de Grote Markt. Wij kijken net iets verder. Ertegenover of om de hoek. Aflevering 6: in de eigen rondvaartboot.

Voor we café de Toeter binnengaan bekijken we het voormalige benzinestation aan het water van de Turfsingel. Tot 2018 was dit het laatste nog functionerende Dudok-pompstation van ons land.

In de jaren 50 liet oliemaatschappij Esso er 112 neerzetten in Nederland, naar een karakteristiek ontwerp van de vermaarde architect Willem Dudok.

Het zogenaamd allerlaatste Dudok-tankstation

Dit Groningse exemplaar kreeg bekendheid toen in 1995 het zogenaamde allerlaatste Dudok-tankstation van de sloophamer werd gered en verhuisde van de A2 bij Vinkeveen naar het Autotron in Rosmalen, een spektakel met toeters en bellen. Hiermee werd immers een belangrijk stuk Nederlands erfgoed veiliggesteld uit de periode van de wederopbouw.

Zoals vaker bleek het moeilijk verder te kijken dan de Randstedelijke neus.

De sfeer van het begin van de automobielindustrie

Het gebouwtje ademt onmiskenbaar de sfeer uit de begintijd van de automobielindustrie; modern voor die tijd maar geen spoor van de massaliteit die de meeste brandstofverstrekkers tegenwoordig vertonen.

Het monumentje krijgt de komende jaren een nieuwe bestemming, als centraal punt in een boulevardachtig flaneergebied met veel groen in de noordoostelijke bocht van de diepenring.

Het bootje bij café De Toeter

Bij het naastgelegen café De Toeter hebben we een bootje geregeld. Dat kan online, wij belden. Het vaartuig is een robuust geval met elektromotor, in ons geval voor vier personen plus een schaal met hapjes en twee flessen witte wijn.

De Toeter brengt ons 139 euro in rekening, waarvoor we het stalen schuitje 2 uren meekrijgen. Ter bevestiging van de overeenkomst schenkt de barjuffrouw glaasjes prosecco als oorlam.

Voyeurs in de stadse woonbootscene

Een kwartier later dan de geplande 16 uur gaan de trossen los. De boeg wijst oostwaarts, maar wij willen graag tegen de klok in dus wenden we de steven zodra het kan.

Twee dingen vallen direct op:

  1. De stilte; je hoort het stadsverkeer vrijwel niet
  2. Hoe anders ziet de stad eruit vanaf het water

We voelen ons als een soort voyeurs in de stadse woonbootscene of op z’n minst onwelkome indringers, maar dat zijn we natuurlijk niet. Het is openbaar water en daarbij: morgen rijdt een woonbootbewoner toch ook rustig bij ons door de straat?

De rijke gevels aan de wal

Behalve naar de uiteenlopende kwaliteit van de drijvende behuizing trekt de blik ook als vanzelf omhoog naar de rijke gevels van de Spilsluizen en het Lopende Diep. De welvaart straalt ervan af.

Er is zoveel te zien dat we onze kapitein, daadwerkelijk Rob geheten, manen het aantal knopen drastisch te minderen. Daarna varen we alleen nog maar stapvoets.

Ook waar het diep overgaat in de Noorderhaven en de bebouwing naast rijkdom tevens pakhuizen toont lees je van de kades een profijtelijk handelsverleden af. Dat wordt straks op de Aa nog mooier zichtbaar. Maar eerst gaan we een stukje richting zee.

Sprookjesachtige woonschepen

Waar het stadsdiep naar links buigt gaan we rechtdoor. Onder de Plantsoenbrug door – rechts is de zuidelijke entree van het Noorderplantsoen – waarna we varen op de vroegere zeeroute naar Zoutkamp: het Reitdiep.

We zien soms sprookjesachtige woonschepen van ogenschijnlijk bevoorrechte mensen die als vrije vogels op het water leven. Aangezien we straks hetzelfde stukje terugvaren wordt eerst de aanblik van de rechteroever besproken, straks volgt de beoordeling van de linker.

Waar de flats zich aandienen keren we de schuit. Bij de Herman Colleniusbrug hebben we ineens een prachtig zicht op de weergaloze watertoren die oprijst uit het groen, met op de voorgrond een fraai oud brugwachtershuisje onder de klimop. Dat bleef op de heenweg goeddeels verstopt.

De boot naar Ameland

Na de Plantsoenbrug varen we recht op het vroegere havenkantoor af. Het stadswapen staat boven in de gevel. Het heet hier ook wel de Bocht van Ameland omdat hier vroeger de boot naar Ameland vertrok.

We gaan rechts de Aa op: het meest noordelijke stukje van de Drentsche Aa. Niet voor niets heet de kade links het Hoge der Aa en rechts het Lage der Aa. De patriciërswoningen en pakhuizen behoren tot Groningens meest fotogenieke panden.

Na de Aa-brug zien we links Het Pomphuis, met een van de nieuwste populaire terrassen van de stad. We zouden kunnen aanleggen, maar waarom?

We schenken nog eens bij uit de wijnkoeler en knabbelen een olijfje weg. Nu we het er toch over hebben: de catering mag wel een tikje uitbundiger voor dit geld. Het geeft toch een wat zuinige indruk, de royale hoeveelheid wijn buiten beschouwing gelaten.

Schaamteloos begluren

Langs het kasteeltje van het oude Groningsch Museum, nu onderdeel van Academie Minerva, en de roeiclub in de Zuiderhaven koerst Kapitein Rob naar het ‘nieuwe’ Groninger Museum. Het is niet te missen. Vanaf het water nog grotesker (kan dat?) dan vanaf de wal. Voor de rest is dit deel meer geschikt voor een bladloos seizoen: dat zie je de rijke villa’s aan het water stukken beter.

In de Oosterhaven doen we een paar extra rondjes om de pleziervaartuigen van toeristen wat beter te bekijken; iedereen die we schaamteloos begluren groet ons vriendelijk.

In het nauwe deel van Steentilbrug tot aan de Stadsschouwburg (Schuitendiep-Turfsingel) stuiten we op een van de rondvaartboten van Kool. Dankzij zijn luide scheepshoorn wordt het ook Kapitein Rob duidelijk dat het niet past. Rob manoeuvreert ons naast de vaarweg tussen de woonboten waar we wachten tot de boot met het glazen dak voorbij is. Het is zowaar nog even spannend.

De wijn is op, de tocht is volbracht. Een kwartier later dan de geplande 18 uur leveren we de boot weer in.